Developmental Coordination Disorder of DCD is een coördinatie- ontwikkelingstoornis. Vroeger werd dit dyspraxie genoemd.
Een coördinatieontwikkelingsstoornis uit zich in een ernstig probleem met het aanleren en/of uitvoeren van motorische vaardigheden. Bij kinderen met DCD zijn er geen specifieke medische of neurologische afwijkingen die de problemen in coördinatie kunnen verklaren.
Deze kinderen worden vaak omschreven als onhandig of stuntelig in het dagelijkse leven. Het gaat bijvoorbeeld over die jongen die zijn schoenen altijd fout aan doet, of dat meisje dat aan de kant blijft staan als andere kinderen fietsen. De kleuter die voor de zoveelste keer zijn beker laat vallen of zijn kleine zus nog maar eens omverloopt, of de tiener die weer eens haar bankkaart verloren is.
Elk kind met dyspraxie is verschillend. Sommige kinderen hebben vooral fijnmotorische problemen (bij vaardigheden waarbij je handen en vingers nodig hebt), andere kinderen vooral grofmotorische problemen (bij vaardigheden waarbij je je hele lichaam nodig hebt). Er zijn ook kinderen die het moeilijk hebben met zowel fijne als groffe motoriek.
DCD is een blijvende aandoening. De motorische moeilijkheden blijven aanwezig gedurende de adolescentie en ook in het volwassen leven. Uiteraard leren deze jongeren motorische vaardigheden, maar dit kost hen erg veel inspanningen. Zo zal met de auto leren rijden op volwassen leeftijd meer moeite vragen en zullen bijvoorbeeld huishoudelijke taken ook meer energie vergen.
De geraadpleegde academische literatuur is onderaan deze pagina terug te vinden.
Leer motorische vaardigheden stap voor stap aan. Splits een taak op in kleine stappen. Laat de leerling zelf doen wat mogelijk is en help bij de moeilijkere delen (bijvoorbeeld: help bij het over de tenen trekken van een sok en laat de leerling de sok daarna zelf verder optrekken).
Geef bij elke geslaagde stap een positieve bevestiging.
Benoem elke tussenstap en leer de leerling om zichzelf stap voor stap te sturen met woorden.
Laat de leerling een vaardigheid die goed lukt soms herhalen. Succeservaringen zijn belangrijk.
Moedig de leerling aan en motiveer, maar dwing niet.
Zorg voor een veilige omgeving waarin de leerling zich veilig voelt.
Vermijd het niet om motorische activiteiten aan te bieden. Zorg ervoor dat de leerling plezier blijft ervaren in bewegen, in welke vorm dan ook.
Behandel jongeren niet als kleine kinderen.
Ga er niet vanuit dat begeleiding vanzelf gaat, ook jongeren hebben ondersteuning en opvolging nodig.
Stel een diagnose die door een gespecialiseerd team is gesteld niet in twijfel.
Geef niet meteen een oplossing, maar laat de leerling zelf nadenken door gerichte vragen te stellen.
Leg niet te veel materiaal tegelijk op tafel, houd de situatie overzichtelijk.
Plaats het kind niet achteraan of op de achtergrond.
Sluit het kind niet uit van groepsactiviteiten vanwege motorische moeilijkheden, maar zoek vooraf naar een oplossing zodat deelname mogelijk blijft.
Laat leerlingen opdrachten op de computer maken in plaats van met de hand. Typen vraagt minder fijne motoriek en zorgt ervoor dat de leerling zich kan focussen op de inhoud in plaats van op het schrijven zelf. Dit verhoogt vaak ook de leesbaarheid en het werktempo.
Bied leerlingen indien nodig de mogelijkheid om een toets mondeling af te leggen in plaats van schriftelijk. Zo krijgen leerlingen met dysorthografie of taalmoeilijkheden de kans om hun kennis te tonen zonder dat lezen of schrijven een te grote hinder vormt. De focus ligt hierdoor meer op inzicht en begrip van de leerstof. Mondeling evalueren kan ook stress verminderen bij leerlingen die blokkeren tijdens schriftelijke opdrachten. Deze aanpassing zorgt voor een eerlijkere evaluatie van wat de leerling werkelijk kent en kan.
Laat leerlingen werken met een aangepaste pen of potlood, zoals een dikkere grip, verzwaarde pen of ergonomische pen. Dit maakt het vasthouden stabieler en vermindert de inspanning bij schrijven. Vaak schrijven leerlingen daardoor rustiger en met minder pijn of frustratie.
Gebruik aangepaste oefenvormen zoals:
schrijfkaders
invulzinnen
meerkeuzevragen
om leerlingen met schrijf- of taalmoeilijkheden extra ondersteuning te bieden. Deze structuren helpen leerlingen om zich te focussen op de inhoud zonder overweldigd te raken door lange schrijfopdrachten. Minder schrijven betekent minder fysieke belasting, maar blijft inhoudelijk even waardevol. Dit beperkt ook de hoeveelheid schrijven en geeft tegelijk een houvast.